De verhoudingen en spanningen tussen Pius IX en het Nederlandse episcopaat

Nederlandse episcopaat omstreeks 1870. Bron afbeelding: In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953 (1935) - L.J. Rogier, N. de Rooy. Geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

De verhoudingen en spanningen tussen Pius IX en het Nederlandse episcopaat

In de tweede helft van de negentiende eeuw beleefde de katholieke Kerk in de Nederlanden een opleving die minstens even groot was als in Frankrijk en misschien wel sterker dan waar ook ter wereld. In die tijd hadden de Nederlandse bisschoppen de reputatie ultramontaan te zijn, hoewel ze controverses uit de weg gingen en diplomatieke betrekkingen onderhielden met het Huis van Oranje.

Wij hebben dit moeilijke ambt niet gezocht

Eerwaarde heer Joseph Witlox beschreef aartsbisschop Joannes Zwijsen, de eerste aartsbisschop van Utrecht na de restauratie van 1853, als iemand met een opmerkelijk “diepe verbondenheid met de Heilige Stoel” en “een hartstochtelijke liefde voor de paus.” Deze reputatie had hij al verworven met zijn eerste pastorale brief, gepubliceerd op 1 mei 1853: “Wij stellen ons vertrouwen in de legitimiteit van onze missie, aangezien wij dit moeilijke ambt niet hebben gezocht of gewenst, maar het met schroom hebben aanvaard als gehoorzame zonen van de Kerk… Want wij hebben onze missie ontvangen van de rechtmatige opvolger van de heilige Petrus… aan wie dezelfde Verlosser, na Zijn glorieuze verrijzenis uit het graf, de uitgebreide bevoegdheid heeft gegeven om Zijn Kerk te besturen en herders daarover aan te stellen.”

Nederlandse gehoorzaamheid aan Rome

In tegenstelling tot de Kerk in Frankrijk, waar het episcopaat sterk verdeeld was tussen ultramontanen en liberale katholieken, was het Nederlandse episcopaat verenigd in zijn gehoorzaamheid aan Rome. Dit werd duidelijk gemaakt in een brief die de Nederlandse bisschoppen in 1855 aan de Propaganda Fidei schreven: “Als het gaat om eerbied en verering van of onderwerping aan de Heilige Stoel, nemen wij alleen genoegen met de eerste plaats.” De vele pastorale brieven die zij uitgaven als reactie op de toegenomen aanvallen van het Risorgimento op de Pauselijke Staten sloten qua toon en inhoud sterk aan bij hun steun voor het pontificaat van Pius IX.

Volg MOH op Telegram

Risorgimento is een kwaadaardige samenzwering

In zijn pastorale brief van 2 februari 1860 veroordeelde aartsbisschop Zwijsen het Risorgimento als een “kwaadaardige samenzwering tegen het gezag van de Heilige Stoel”, die “vooral in deze tijden” zou leiden tot “een grote ramp voor de katholieke Kerk en haar gelovigen”. Bisschop Franciscus Jacobus van Vree van Haarlem merkte hetzelfde op in zijn pastorale brief van 7 februari 1860, die ook “de unanieme uiting van medeleven van allen die katholiek zijn” weerspiegelde: “Wat in deze eensgezindheid bijzondere vermelding verdient, en ook door de Heilige Vader in zijn encycliek nadrukkelijk wordt opgemerkt, is het getuigenis van de over de hele wereld verspreide bisschoppen dat de paus [door de Voorzienigheid] een vorstendom is gegeven, opdat hij, niet onderworpen aan enige wereldlijke macht, in staat zou zijn de verplichtingen van zijn apostolisch ambt met volledige vrijheid en zonder enige belemmering over de hele wereld te vervullen.”

Pauselijke onfeilbaarheid

De onderwerping van de Nederlandse bisschoppen aan de dogmatische encycliek Quanta Cura (1864), samen met de daaraan gehechte Syllabus Errorum (1864), vond plaats zonder voorbehoud en werd spoedig gevolgd door de publicatie van een Nederlandse vertaling. De dogmatische definitie van pauselijke onfeilbaarheid in Pastor Aeternus (1870) was voor hen slechts een plechtige bevestiging van wat zij reeds als waar beschouwden. Vanwege het onomstreden karakter van hun deelname hebben historici zoals kardinaal Johannes de Jong en prof. L.J. Rogier, afgezien van het vermelden van hun namen, weinig tot niets geschreven over de Nederlandse bisschoppen tijdens het Eerste Vaticaans Concilie.

Toch waren er spanningen tussen Rome en de Nederlandse Kerk

Ondanks hun gehoorzaamheid aan Rome kenden de relaties tussen het Nederlandse episcopaat en Pius IX echter wel enige moeilijkheden of spanningen. Pius IX had in 1862 26 Japanse martelaren heilig verklaard, van wie er 6 franciscanen waren. De Franciscaanse Orde wilde het heiligverklaringsproces inleiden van de 19 martelaren van Gorcum die tijdens de Tachtigjarige Oorlog waren omgekomen, van wie er 11 franciscanen waren. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 zagen velen deze poging tot heiligverklaring als nog een teken van de triomf van het katholicisme in Nederland. Het Nederlandse episcopaat deelde hun enthousiasme echter niet. Uit angst dat de heiligverklaring zou leiden tot vervolging van de Kerk, verzetten zij zich ertegen.

Lees ook: Bid tot de martelaren van Gorcum met deze litanie

Zorgen over de heiligverklaring van de martelaren van Gorcum

Aartsbisschop Luigi Oreglia di Santo Stefano, de internuntius van Nederland, kwam bijeen om de zaak te bespreken met zowel aartsbisschop Zwijsen als bisschop Gerardus Petrus Wilmer van Haarlem. Aartsbisschop Oreglia uitte hun bezorgdheid over de heiligverklaring in een brief aan de Propaganda Fidei op 18 april 1864: “De martelaren van Gorcum worden geassocieerd met de verdrijving van de Spanjaarden uit dit rijk, de oorsprong van het Huis van Oranje en de invoering van de Reformatie; en aangezien dat feit even glorieus is voor katholieken als oneervol voor protestanten, is het duidelijk dat laatstgenoemden een dergelijke plechtige handeling zouden beschouwen als een aanval op de eer van de natie en het koningshuis.”

Nederlandse bisschoppen vertragen het heiligverklaringsproces om reacties te temperen

Pius IX negeerde hun wensen gewoon en zette het proces voort. Het decreet van de Heilige Congregatie van Riten, dat de “satanische woede” van de Nederlandse calvinisten in herinnering bracht, werd door de paus bekrachtigd tijdens een pauselijk consistorie op 6 januari 1865, terwijl het decreet dat vervolgens op 8 januari werd uitgevaardigd hen de “aanhangers van de calvinistische ketterij” noemde. De Nederlandse bisschoppen vonden de toon van deze documenten te scherp. Daarom bleven de decreten van de Heilige Congregatie van Riten in Nederland ongepubliceerd. In de wetenschap dat de heiligverklaring onvermijdelijk was, deden de Nederlandse bisschoppen er alles aan om het proces te vertragen, teneinde de reacties in Nederland tot een minimum te beperken. Dankzij hun inspanningen werden de 19 martelaren van Gorkum pas op 29 juni 1867 heilig verklaard.

Dit artikel verscheen eerder op tfp.org

Laatst bijgewerkt: 1 mei 2026 15:55

Het synodale proces is een doos van Pandora
Bestel kosteloos!

Doneer