Het lied ‘Stille Nacht’ is veruit het meest symbolische van onze kerstliederen. Het is dan ook begrijpelijk dat we ons afvragen wat de oorsprong is van zo’n buitengewoon lied.

Om het verhaal van het ontstaan ervan te vertellen moeten we beginnen aan het hof van Frederik Willem van Pruisen, de vierde koning van die naam, net na zijn troonsbestijging in 1840.

Het was kerstavond. In Berlijn waren de koning en zijn hofhouding de geboorte van Christus aan het herdenken. Het koor van de kathedraal, onder leiding van Felix Mendelssohn, zong een van de stukken uit zijn repertoire. Het was het lied Stille Nacht.

De koning was erg onder de indruk van het prachtige lied en vroeg zich af wie de auteur zou kunnen zijn. Hij onderzocht zijn programma met de lijst van de gezongen hymnen en was verbaasd te zien dat de auteur onbekend was. De koning van Pruisen kon zo’n onnauwkeurigheid niet toestaan.

Lees ook: De eerste kerststal

Onmiddellijk na de ceremonie liet hij de regisseur naar zich toe komen. Mendelssohn kon echter geen enkel licht op de zaak werpen. Hij riep toen het hoofd van de Koninklijke Concerten, Ludwig, die de reputatie had de oorsprong van onbekende liederen te kunnen ontdekken, tot zich. Maar tot Frederick Willem’s teleurstelling wist ook Ludwig niets.

De koning beval hem toen om het uit te gaan zoeken, want de Pruisische gezangenboeken moesten in orde zijn!

Nu Ludwig zijn reputatie op het spel had staan, was het cruciaal dat hij ontdekte wie de componist van het lied was. Hij doorzocht de bibliotheken, steden, vorstendommen en koninkrijken van het toenmalige Duitsland. Maar het mocht allemaal niet baten.

De ‘Liederenjager’, zoals ze Ludwig begonnen te noemen, merkte op dat de stijl van de muziek Oostenrijks leek. Dus ging hij naar Wenen. Maar opnieuw: niets.

Een oude muzikant uit Haydn’s tijd gaf hem echter een aanwijzing. Michael Haydn, de broer van de beroemde muzikant, had vele werken die verloren waren gegaan gecomponeerd. “Zou dit kerstlied misschien een van die werken kunnen zijn?” stelde de oude man voor. Het was slechts een gok, en Ludwig was niet hoopvol. Hij gaf zijn zoektocht op, en besloot hij terug te keren naar het Hof.

Tijdens de terugreis, terwijl hij in een herberg verbleef, merkte hij een kooivogel op die een bekend liedje zong. Hij schrikte op.

Ludwig realiseerde zich dat de vogel precies het mysterieuze kerstlied zong waarvan hij de auteur zocht: het was Stille Nacht aan het zingen!

“Wat is er?” vroeg de herbergier.

“De vogel”, antwoordde Ludwig. “Wie heeft de vogel dat lied geleerd?”

De herbergier wist het niet. Maar hij voegde eraan toe dat een vriend van hem de vogel in de abdij van Salzburg had gekocht en het in de herberg had achtergelaten voor het vermaak van de gasten.

De abdij van Salzburg! Ludwig voelde zich plotseling als een jager, die na veel vruchteloos zoeken, verse sporen in de sneeuw gevonden had. Het spoor was weer warm geworden!

Hij wist dat Michael Haydn een lange tijd in die abdij gewoond had. Het was dus bijna zeker dat het liedje van Michael Haydn was. Ludwig verloor weinig tijd met het veranderen van zijn reisplannen en met zijn vertrek, richting de abdij.

Bij aankomst werd het hoofd van de koninklijke concerten van het Pruisische hof ontvangen met alle eerbetoon dat bij zijn ambt gepast was. De abt en de monniken boden hem een goed diner en een comfortabel onderkomen aan.

Maar, helaas: niemand wist de oorsprong van het lied. Ze twijfelden er zelfs sterk aan dat Michael Haydn de auteur was geweest.

Toen de liederenjager hen vertelde over de kooivogel, en suggereerde dat de monniken het geleerd hadden om het lied te zingen, werd de abt beledigd: zulke capriolen waren in dit klooster verboden.

Ludwig ging vervolgens alle manuscripten van Michael Haydn in de kamer waar hij had gewerkt onderzoeken. En net zoals de monniken hadden voorspeld, vond hij niets. Het spoor was weer koud geworden. Ontmoedigd begon Ludwig aan zijn reis terug naar het Pruisische hof.

Maar toevallig was er onder de deelnemers aan het door de abt aangeboden diner een schoolmeester genaamd Ambrosio Prestainer, die vooral geïnteresseerd was in het verhaal van de vogel.

“Dit is misschien door een van de jongens in het abdijkoor gedaan”, zo mijmerde hij.

Nu de schoolmeester de vogel perfect kon imiteren, besloot hij iets uit te proberen om te ontdekken wie de vogel dit lied had geleerd. Enkele dagen later plaatste hij zich bij een raam dat uitkwam op de binnenplaats van de school. Hij fluitte, en imiteerde zo de vogel die Stille Nacht zong.

Zijn list werkte, want hij hoorde al snel een jongensstem: “Zo klein vogeltje, je bent terug!” en een negenjarig jongetje kwam de klas uit rennen. Wat was de knul verrast toen hij zag dat hij in de val was gelopen!

“Wat is uw naam?” vroeg de leerkracht.

“Felix Gruber,” antwoordde de jongen.

“En vertel me Felix, waar heb je dat liedje geleerd?”

“Mijn vader heeft het mij geleerd.”

“En waar heeft hij het vandaan?”

“Hij heeft het gecomponeerd, meneer.”

Zonder een minuut te verliezen ging Prestainer naar het huis van de jongen in een nabijgelegen dorp. Daar ontmoette hij de plaatselijke schoolmeester, Franz Gruber, die zei dat hij de muziek inderdaad had gecomponeerd, maar de tekst was geschreven door zijn vriend, pater Josef Mohr, pastoor van het dorp Bagran, die onlangs was overleden.

Prestainer was dolgelukkig met het vinden van de oorsprong van het lied en schreef aan Ludwig de liederenjager, om hem te vertellen dat zijn zoektocht naar de oorsprong van het lied voorbij was. Hij stuurde Ludwig een volledig geschreven verslag van hoe het lied tot stand was gekomen. Dit is wat hij hem vertelde:

Het is kerstavond, en de toren van de kleine kerk van het dorp overheerst de besneeuwde huizen van de stad als een kip die haar kuikens beschermt. In de pastorie bekijkt de jonge pater Josef Mohr, zesentwintig jaar oud, het Evangelie ter voorbereiding op de ceremonies van die nacht, wanneer een klop op de deur de stilte verbreekt. Het is een boerin die de pastoor vraagt om een baby te helpen die net geboren is.

Zonder te wachten verlaat de priester het comfort van zijn huis en komt, na een zware klim de berg op, bij de nederige verblijfplaats waar het kind is geboren aan. Bij zijn terugkeer schijnen de sterren in de hemel, en reflecteren hun licht op het wit van de sneeuw.

Hij begint na te denken over het tafereel waarvan hij zojuist getuige is geweest. Het kind, het boerenpaar en hun nederige huis hebben allemaal indruk op hem gemaakt. Ze doen hem denken aan een ander kind, een ander echtpaar, een andere nederige woning in Bethlehem van Juda.

Na de middernachtmis kan pater Mohr niet meer slapen. Hij neemt pen en papier en begint een gedicht te schrijven dat de tekst van het liedje ‘Stille Nacht’ zal worden.

De volgende ochtend, kerstdag 1818, zoekt de vrome priester een vriend van hem, de toen 31-jarige Franz Gruber. Na het lezen van het gedicht roept Gruber uit:

“Vader, dit is precies het kerstlied dat we nodig hadden! Geprezen zij God!”

Diezelfde dag nog componeert hij de muziek die bij de woorden hoort.

Op deze eenvoudige manier, die de gebeurtenissen in Bethlehem weerspiegelt, werd het populairste en mooiste kerstlied aller tijden geboren.

Dit artikel is een vertaling van “Silent Night: The Origin of the Song” dat eerder verscheen op returntoorder.org.