Uit liefde voor ons is het Eeuwige Woord vlees geworden in de kuise schoot van Maria. Zijn plan was wonderbaarlijk geregeld. Uit de eeuwigheid koos Hij een man naar Zijn hart, die de maagdelijke echtgenoot van Zijn goddelijke Moeder zou zijn, Zijn aangenomen vader op aarde, en de hoeder van Zijn jeugd.

Hoewel Hij Jozef niet dezelfde voorrechten verleende die Hij aan onze gezegende Moeder had verleend, tooide de Heer zijn ziel met de zeldzaamste deugden en verhief hem tot grote heiligheid.

Toen Onze Lieve Vrouw haar opleiding in de Tempel voltooid had, werd zij uitgehuwelijkt aan deze nederige ambachtsman. Evenals zij behoorde de heilige Jozef tot het koninklijke geslacht van David, dat destijds van zijn oude glorie was vervallen. Eveneens als zij had hij zijn maagdelijkheid aan God gewijd en hij verlangde vurig om met eigen ogen de beloofde Messias, de verlossing van Israël, te zien.

De Allerhoogste had deze voortreffelijke vereniging voorbereid door Zijn wil aan deze nederige en gehoorzame zielen te openbaren. Maria aanvaardde Jozef als de bewaker van de Goddelijke Voorzienigheid, terwijl Jozef Maria ontving als een kostbare schat, die hem door de Hemel was toevertrouwd. Noch de een noch de ander vermoedde welke zegeningen de Heer over hun bescheiden woning zou uitstorten. De jonge echtgenoten hadden nog maar korte tijd in het kleine huis van Nazareth gewoond, toen het tafereel van de Aankondiging zich in al zijn goddelijke eenvoud voltrok.

Lees ook: Sint-Jozef, martelaar van de grootsheid

De laatste dagen van maart brachten de terugkeer van de lente op het Galilese platteland. De vijgenbomen begonnen hun weelderige bladeren te ontvouwen en de duiven begonnen hun nesten te bouwen in de holten van de rotsen. Bloemen bezaaiden de herboren velden. Weldra zou een andere bloem, oneindig veel kostbaarder, bloeien uit de wortel van Jesse.

In de hemel bejubelde de Heilige Geest met bewondering de vlekkeloze ontvangenis van de Onbevlekte Maagd en scheen ongeduldig te zijn naar het uur waarop het werk van Zijn oneindige naastenliefde zou worden volbracht. Niet langer wenste de Goddelijke Echtgenote te wachten. Hij besloot een buitengewone boodschapper tot haar te zenden, die Hij “Mijn Echtgenote” noemde –Soror mea, sponsa.

God koos de aartsengel Gabriël uit de prinsen van het hemelse hof die voortdurend voor de troon van de Almachtige verblijven. Hij vertrouwde hem de belangrijkste en heerlijkste opdracht toe die ooit aan een schepsel was toevertrouwd, namelijk de opdracht om de Maagd het ontzagwekkende mysterie van de Menswording aan te kondigen.

“Wees gegroet, vol van genade. De Heer is met u; gij zijt de gezegende onder de vrouwen.”

Heel de hemel keek nu naar dat eenvoudige huis van Nazareth, waar een diepe vrede heerste. Jozef rustte waarschijnlijk uit van zijn zware arbeid. In de aangrenzende kamer was zijn maagdelijke echtgenote aan het bidden. De engel verscheen en boog eerbiedig voor zijn Koningin. Zijn gelaat stralend van bovennatuurlijke vreugde, zei hij tot haar: “Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen.” De heilige Gabriël sprak niet anders dan de strikte waarheid.

Op het ogenblik van Maria’s ontvangenis overstroomde de goddelijke genade haar schitterende ziel. Sindsdien was deze genade onophoudelijk gegroeid in proporties die ons zwakke begrip ver te boven gaan. Nu, op dit ogenblik, wilde de beminnelijke Drievuldigheid dat deze reeds buitengewone heiligheid met een nog grotere schittering zou stralen: Onze Lieve Vrouw zou in haar schoot de Auteur van de genade zelf beschutten.

Toch verontrustte de aanhef van de Aartsengel de Onbevlekte Maagd. Door goddelijke verlichting had zij allang de onmetelijkheid van God en de nietigheid van de schepselen begrepen. In haar wonderbaarlijke nederigheid beschouwde zij zichzelf als de nederigste der schepselen en verwonderde zich dus over het ontvangen van zulke lof. Zij peinsde over de verborgen betekenis die in zulke woorden kon schuilen.

Lees ook: De Annunciatie en Sint-Gabriel

Toen hij deze onvergelijkelijk volmaakte van alle schepselen met zo’n nederige mening over zichzelf zag, verheugde de hemelse ambassadeur zich van bewondering. “Vrees niet, Maria,” zei hij tot de bevende Maagd, “want gij hebt genade gevonden bij God.”

Toen deelde hij langzaam, majesteitelijk, in de naam van de eeuwige God, zijn verheven boodschap mede: “Zie, gij zult in uw schoot ontvangen, en een Zoon baren; en gij zult Hem Jesus noemen. Hij zal groot zijn, en Zoon van den Allerhoogste worden genoemd. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven; Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”

Deze woorden waren voor Onze Lieve Vrouw veel te duidelijk om ze met enige aarzeling tot zich te nemen. Zij begreep onmiddellijk de onvergelijkelijke eer die haar was voorbehouden. Het schijnt dat zij geen aarzeling ondervond vanwege haar maagdelijkheid. Het zou inderdaad een gratuite belediging van haar intelligentie zijn, haar van een dergelijke onwetendheid te verdenken. Zij was op de hoogte van de profetie van Jesaja, dat de Emmanuël uit een maagd geboren zou worden.

Zij wilde alleen maar weten hoe God, die zo rijk is aan wonderen, zulk een wonder tot stand zou brengen. “Hoe kan dit geschieden,” vroeg zij de engel, “daar ik geen man beken?” “De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat uit u wordt geboren, heilig zijn, en de Zoon van God worden genoemd. Zie, uw bloedverwant Elisabet heeft ook een zoon ontvangen in haar ouderdom, en zij, die onvruchtbaar heette, is in haar zesde maand; want niets is onmogelijk bij God.” Een diepe stilte vulde dat kleine vertrek in Nazareth, een van die dramatische stiltes waarin het lot van de wereld op het spel staat.

De engel had opgehouden met spreken en Maria was stil. Hoeveel gedachten kwamen er niet bij haar op! In haar geestesoog zag zij de schitterende kroon die het goddelijk moederschap op haar hoofd zou zetten, maar toch bleef zij te diep nederig voor enige zelfgenoegzaamheid over deze bijzondere grootheid. Zij zag de onbeschrijfelijke vreugden, die haar hart zeker zouden vervullen, wanneer zij haar dierbare schat tegen haar boezem hield, haar Jezus, zowel God als zuigeling. Maar weer zou haar zelfverheerlijking niet toelaten dat zij zich liet leiden door de verlokking van de vreugde alleen, zelfs de heiligste der vreugden.

Lees ook: Waarom Sint-Johannes de Doper een model is voor hen die de moed hebben om nee te zeggen

Zij zag ook het vreselijke martelaarschap dat haar ziel zou verscheuren. Door de Heilige Schrift wist zij dat de Messias aan Zijn dood zou worden overgeleverd als een mals lam ter slachting. Zij voorzag en hoorde de treurige uitroep: “Ik ben een worm, en geen mens; de smaad der mensen, en de verstotene van het volk.” Toch was haar standvastigheid zo groot, dat zij zich door de toekomstige droefheid niet liet ontmoedigen. Boven alles zag zij de uiterst verheven, vaderlijke en heilige wil van God. Zij was Hem gehoorzaamheid verschuldigd; zij aarzelde niet.

De Onbevlekte Maagd verbrak eindelijk de plechtige stilte. De engel wachtte om haar instemming te ontvangen in de naam van de Heilige Geest. Bij het aanvaarden sprak zij een van die sublieme uitdrukkingen uit, die alleen het genie van nederigheid kan vinden. Het was de eenvoudigste en bescheidenste formule van een ziel die volkomen onderdanig was aan de wil van God: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” Op dat ogenblik vond het grootste van alle wonderen plaats. Uit het vlees zelf van de Onbevlekte Maagd vormde de Heilige Geest een klein menselijk lichaam. Aan dit lichaam verbond Hij een menselijke ziel; aan dit lichaam en deze ziel verbond Hij de Tweede Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid, het Woord van God.

Hoewel het nodig is deze drie feiten afzonderlijk uit te leggen om duidelijk te maken wat er plaats vond, vonden de drie volkomen gelijktijdig plaats als één enkele handeling. Zelfs geen seconde waren dit kleine lichaam en deze kleine ziel van het Woord gescheiden. Vanaf dat eerste ogenblik was het Kind, dat in de schoot van Onze Lieve Vrouw gevormd werd, het vleesgeworden Woord. Zonder haar maagdelijkheid te verliezen, werd Maria de Moeder Gods, en door de Moeder van Christus, ons Hoofd, te worden, werd zij ook de Moeder der mensen – onze Moeder.

Koningin van de vrede, bid voor ons!

In dit hoofdstuk heb ik eenvoudig stap voor stap het Evangelie-verhaal gevolgd. Wij zullen later de bijna oneindige waardigheid bestuderen die de Onbevlekte Maagd aan het goddelijk moederschap verleent. Wij zullen zien hoe dit voorrecht onze christelijke harten moet inspireren tot grote eerbied, diepe dankbaarheid, grenzeloos vertrouwen en kinderlijke devotie. Maar laten wij eerst onze meditatie over dit mysterie voltooien.

Door Gods oneindige liefde voor ons heeft het Woord Zich volkomen vernederd in de schoot van de Maagd. Tegelijkertijd vonden er andere gebeurtenissen plaats in haar ziel. Wanneer God aan één van Zijn schepselen een zending toevertrouwt, verschaft Hij ook de genade om die volledig te volbrengen. Zo schonk de Allerhoogste, die aan de Heilige Maagd Maria een dubbel moederschap had toegekend (moeder van God en van de mensen), haar een liefde die dubbel zo moederlijk was. Zo schitterend was dit werk van genade, dat wij het nooit volkomen zullen begrijpen. Nooit zullen wij de vurigheid van Maria’s liefde voor Jezus volledig begrijpen, of de barmhartige goedheid waardoor de Maagd ieder van ons in het bijzonder liefheeft. Sterker nog, als wij dit mysterie verder zouden overdenken, zouden wij met grotere vurigheid tot haar bidden, en haar met grotere ijver dienen. Zij zou op haar beurt stromen van genade over ons uitstorten.

De menswording was nog maar net voltooid. Onze Lieve Vrouw verkeerde nog in extase. Iedere theoloog is het erover eens dat God haar tijdens dit drievoudig heilig ogenblik heeft verheven tot de meest verheven contemplatie die een zuiver schepsel op aarde kan bereiken. Misschien werd haar zelfs een kortstondige glimp van het zaligmakend visioen gegund. De aartsengel Gabriël had zijn opdracht volbracht. Bij zijn aankomst had hij eerbiedig gebogen voor de Koningin van de hemel. Voordat hij vertrok, prostreerde hij zich, want Maria was niet langer alleen. In ware gerechtigheid verdiende het Kind dat zij in haar schoot droeg de aanbidding van de aartsengel, die de door God gemaakte mens aanbad en daarna naar de hemel terugkeerde.

Uit dit mysterie moeten wij een sterkere en diepere devotie tot de Heilige Maagd putten. De Kerk, die ons aanspoort om de Onbevlekte Moeder bijzondere eer te bewijzen, wil haar niet op één lijn stellen met de Allerhoogste. Hoewel Maria heerst over alle engelen en heiligen in de hemel, is zij toch maar een eenvoudig schepsel en daarom staat er een oneindige afstand tussen haar en haar aanbiddelijke Zoon. Toch heeft God Jezus en Maria zo innig met elkaar verenigd, dat wij hen niet kunnen scheiden. Door in te stemmen met het werk van de eeuwige God, is Onze Lieve Vrouw ipso facto de morele oorzaak van onze verlossing geworden. Zij is moreel noodzakelijk voor ons om tot Jezus te komen.

De zielen van vandaag worden krachtig aangetrokken tot het Hart van Jezus. Om vollediger tot dit aanbiddelijke Hart, het heiligdom van de Godheid, door te dringen, moeten wij door Maria gaan. Laten wij Onze Lieve Vrouw vragen of zij ons de soevereine genade kan schenken om ons vol vertrouwen in de armen van Jezus te leggen en ons daar, op Zijn hart, te laten rusten, zowel in de tijd als in de eeuwigheid.

Dit is een vertaling van een tekst die geschreven is door pater Thomas de Saint-Laurent, welke eerder verscheen op americaneedsfatima.org